Ongetoetste aftrek terug met vitaliteitssparen

Ongetoetste aftrek terug met vitaliteitssparen 

Een van de speerpunten van het kabinet is dit jaar ‘vereenvoudiging’. De introductie van de vitaliteitsregeling in het Belastingplan 2012 is hier een voorbeeld van. Met het vitaliteitssparen wordt een spaarregeling getroffen waarmee werkenden beter dan nu naar eigen inzicht hun inkomen over hun werkzame leven kunnen spreiden. Hieronder worden de voorwaarden, de mogelijkheden en de beperkingen van de nieuwe vitaliteitsspaarregeling beschreven.

Achtergrond en doel

Met de introductie van een vrij eenvoudig vitaliteitspakket worden vier vertrouwde regelingen, de arbeidskorting voor ouderen, de doorwerkbonus, de spaarloonregeling en de levensloopregeling afgeschaft. Daarvoor in de plaats komt de werkbonus en de vitaliteitsspaarregeling. Het vitaliteitspakket leidt tot vereenvoudiging van het fiscale stelsel en is mede ingevoerd om ook in de toekomst een breed draagvlak voor de Nederlandse verzorgingsstaat te behouden. De regeling van vitaliteitssparen (ook wel ‘flexsparen’ genoemd) biedt voor een grote groep personen met arbeidsinkomen een mogelijkheid om fiscaal gefacilieerd te sparen en het gespaarde vermogen naar eigen inzicht op te nemen, bijvoorbeeld voor zorgverlof, studie en deeltijdpensioen. Vitaliteitssparen is een regeling in de inkomstenbelasting (IB) en is toegankelijk voor werknemers, IB-ondernemers (waaronder zzp‘ers) en zogenoemde ‘resultaatgenieters’. De regeling is uitdrukkelijk bedoeld als een tegemoetkoming voor mensen met arbeidsinkomen om deze groep zo lang en vitaal mogelijk voor de arbeidsmarkt te behouden.

Fiscaliteiten vitaliteitssparen

De stortingen in een vitaliteitsspaarproduct zijn vanaf 2013 fiscaal aftrekbaar als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in box 1. Er geldt een jaarlijkse aftrekbare maximuminleg van € 5.000. Deze aftrek valt buiten de formule van de jaarruimte en vormt als het ware een ongetoetste (basis)aftrek. Het maximaal fiscaal gefacilieerd op te bouwen vermogen bedraagt in totaal € 20.000 (bruto). De uitgaven voor vitaliteitssparen kunnen alleen in aanmerking worden genomen door belastingplichtigen die aan het begin van het betreffende kalenderjaar waarin de uitgaven worden gedaan jonger zijn dan 65 jaar.

Vitaliteitssparen kent drie spaarvormen, te weten de spaarrekening, de spaarverzekering en het spaarrecht van deelneming. Deze spaarvormen komen in principe overeen met de drie vormen die ook voor de huidige levensloopregeling zijn toegestaan en hebben diverse gemeenschappelijke kenmerken. Zo is voor vitaliteitssparen een schriftelijke overeenkomst vereist tussen de belastingplichtige en de zogenoemde ‘toegelaten aanbieder’. Bovendien geldt dat de in de spaarregeling ingelegde bedragen en de behaalde rendementen in beginsel uitsluitend kunnen toekomen aan de belastingplichtige die de bedragen heeft ingelegd. Voor de vitaliteitsspaarrekening, de vitaliteitsspaarverzekering en het vitaliteitsspaarrecht van deelneming geldt dat de opbrengsten en rendementen moeten worden bijgeschreven op de rekening, moeten worden aangewend voor een verhoging van het verzekerde kapitaal, onderscheidenlijk moeten worden aangewend ter verwerving van vitaliteitsspaarrechten van deelneming (hierna: bijschrijvingsseis). Als hierna wordt gesproken van vitaliteitssparen, worden daarmee alle drie de vormen bedoeld.

De toegelaten aanbieders voor vitaliteitssparen komen in wezen overeen met de toegelaten aanbieders voor de levensloopregeling. De opsomming van de toegelaten aanbieders is limitatief.

De aanwending van een vitaliteitsspaartegoed is niet beperkt tot bepaalde doelen, zoals bijvoorbeeld bij de levensloopregeling het geval is. Onder vitaliteitssparen is de opgebouwde voorziening in beginsel vrij opneembaar. En tot en met 61 jaar is er ook geen beperking met betrekking tot de hoogte van het op te nemen bedrag. Bij een opname van het vitaliteitsspaartegoed wordt belasting geheven in box 1. Het (forfaitaire) rendement over het opgebouwde tegoed wordt niet belast in box 3.

Beperkingen vitaliteitssparen

Tegenover de fiscale faciliëring en de bestedingsvrijheid van het ‘vitaliteitsspaartegoed’ staan – naast de hiervoor al aangehaalde beperkende maatregelen – nog enige andere fiscale beperkingen. Zo is de voorgestelde regeling bedoeld om het gebruik van het vitaliteitssparen ter financiering van vervroegd uittreden te beperken en is het gebruik van vitaliteitssparen voor voltijdpensioen ontmoedigd door een opnamebeperking na 61-jarige leeftijd. Daartoe is in het wetsvoorstel bepaald dat, ingeval een belastingplichtige in een kalenderjaar na het jaar waarin hij/zij de 61-jarige leeftijd heeft bereikt in totaal een hoger bedrag dan € 10.000 haalt uit zijn vitaliteitsspaarproduct, de volledige waarde van dat product! in aanmerking wordt genomen als belastbaar voordeel uit vitaliteitssparen in het kalenderjaar waarin de hogere opname uit vitaliteitssparen plaatsgevonden heeft. Een andere beperking is dat de belastingheffing niet kan worden uitgesteld tot na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Dit is bepaald om onbedoelde tariefsvoordelen te voorkomen. De – voorgestelde – leeftijdsgrens van 65 jaar zal op overeenkomstige wijze worden aangepast bij een – definitieve – verhoging van de AOW- en pensioenrichtleeftijd. Inkomensoverheveling naar een ander via vitaliteitssparen is niet mogelijk.

Handelingen die direct leiden tot belastingheffing

In zoverre bedragen worden overgemaakt van een vitaliteitsspaarrekening naar een andere rekening vormen die opgenomen bedragen reguliere belastbare voordelen uit vitaliteitssparen. Datzelfde geldt in zoverre uitkeringen ingevolge een vitaliteitsspaarverzekering worden gedaan en in zoverre opbrengsten ter zake van vervreemding van een vitaliteitsspaarrecht worden genoten. Daarnaast leiden bepaalde handelingen met een vitaliteitsspaarproduct direct tot heffing van IB in box 1 over de volledige ‘waarde’ van het vitaliteitsspaarproduct! Te denken valt daarbij aan het wijzigen van de tenaamstelling van de vitaliteitsspaarrekening, het wijzigen van de begunstiging van de vitaliteitsspaarverzekering (uitkering bij leven) of het wijzigen van de rechthebbende tot het vitaliteitsspaarrecht van deelneming. Ook wordt de volledige waarde van het vitaliteitsspaarproduct in de heffing betrokken ingeval in een kalenderjaar – na het bereiken van de 61-jarige leeftijd – in totaal een hoger bedrag dan € 10.000 van de vitaliteitsspaarrekening is overgeboekt. Als niet wordt voldaan aan de zogenoemde ‘bijschrijvingsseis’ (zie terug) leidt dit eveneens tot belastingheffing over de volledige waarde van het vitaliteitsspaarproduct. En zo zijn er nog wel een paar handelingen te noemen. Het gaat het bereik van deze nieuwsbrief te buiten om alle situaties te beschrijven. Wel is nog relevant te weten dat, indien de volledige waarde ineen! s wordt belast, geen revisierente is verschuldigd! Bij de beoordeling of sprake is van een belastbaar voordeel uit vitaliteitssparen is overigens niet van belang in hoeverre ook uitgaven voor vitaliteitssparen in aftrek zijn gebracht!

Voordelen ten opzichte van levensloopregeling

In de kamerstukken met betrekking tot het wetsvoorstel Belastingplan 2012 zijn vier voordelen genoemd van het vitaliteitssparen ten opzichte van de huidige levensloopregeling. Het gaat om de volgende:

1.     de regeling kent – buiten de opnamebeperking na 61-jarige leeftijd – geen opnamebeperkingen;

2.     niet alleen werknemers, maar alle belastingplichtigen met inkomen uit een actieve werkkring, waaronder
         ook IB-ondernemers, kunnen meedoen aan de spaarregeling;

3.     door het lagere maximum, en de opnamebeperking na 61-jarige leeftijd jaar worden de mogelijkheden
         voor voltijds vroegpensioen fors beperkt, maar blijft deeltijd vroegpensioen mogelijk;

4.     de regeling is eenvoudiger voor werkgevers en banken en zorgt voor hen niet voor administratieve
          rompslomp.!

Overgangsregeling voor deelnemers aan levensloopregeling

Het vitaliteitssparen komt per 2013 in de plaats van onder meer de levensloopregeling. Het plan is om de levensloopregeling per 2012 af te schaffen. Wel is er een overgangsregeling getroffen voor bepaalde deelnemers aan een levensloopregeling. De overgangsregeling eerbiedigt reeds opgebouwde rechten in de levensloopregeling en op grond daarvan kan – fiscaal voordelig – tot hetzelfde bedrag als nu het geval is, worden gespaard. De levensloopregeling blijft ook na 2011 open staan voor deelnemers die op 31 december 2011 tenminste € 3.000 op hun levenslooprekening hebben staan. Een inperking is echter wel dat er vanaf 2012 geen levensloopverlofkorting meer wordt opgebouwd. De tot nu toe opgebouwde rechten kunnen echter wel verzilver! d worden bij opname van het levensloopspaartegoed. Deelnemers met een spaartegoed van minder dan € 3.000 worden in de gelegenheid gesteld het spaartegoed in 2012 op te nemen of in 2013 onbelast door te storten in een vitaliteitsspaarproduct.

Bron: Dukers-Baelemans